Actueel

Recensies Counselling Magazine mei 2016 (deel 1)

vr 20 mei 2016

47 redenen om niet in therapie te gaan... en één om het wel te doen
Martin Appelo
Uitgeverij Lucht BV. ISBN 978 94 91729 386

Het valt niet mee om de 47 redenen te lezen om niet in therapie te gaan. De toon is cynisch en negatief. Appelo meldt dat hulpverleners veel last hebben van burn-out en depressie door het werken met mensen die ja zeggen en nee doen, of die alle suggesties aan hun laars lappen. Het boek is, zoals hij schrijft, niet alleen handig voor de lezer, maar ook voor therapeuten: als je alleen in therapie gaat als die ene reden geldt, help je niet alleen jezelf, maar ook de beroepsgroep.
Voorbeeld van redenen om niet in therapie te gaan: therapeuten zijn niet te vertrouwen (seksueel misbruik), er zijn toch pillen (slik ze dan, veel makkelijker dan therapie), we zien wel (slap karakter).
Ik ben zelf psycholoog, maar ik herken de redenen uit het boek niet. Als mijn klant bij me komt met een probleem dan neem ik dat serieus en werken we toe naar een oplossing. Als ik bij Appelo zou komen en hij zou vinden dat ik een slap karakter heb, dan voel ik die vooronderstelling. Dat motiveert me niet. Zo zitten we in een vicieuze cirkel, want mijn gebrek aan motivatie slaat terug op de therapeut: zie je wel.
Wat is dan wel een reden om in therapie te gaan? Appelo meldt dat duurzame gedragsverandering een functie is van innerlijke drang, discipline en interne attributie. Voor deze factoren geeft hij per factor drie vragen om ze te toetsen. Bijvoorbeeld bij discipline: ben ik in staat om me niets aan te trekken van de druk die andere mensen op me uitoefenen? Alle vragen moeten met 'ja' beantwoord worden om in therapie te gaan. Fascinerend is hoe Appelo vervolgens met de 'ja' omgaat: het mag ook betekenen dat het geen 'nee' is, 'ik ga het proberen' is ook goed. Zo krijgt Appelo alsnog de klanten die ja zeggen en wellicht nee doen.

Joke Tacoma, psycholoog en loopbaancoach, gespecialiseerd in mensen met een technische achtergrond

Meester Mark vraag door
Over leven in het onderwijs
Mark van der Werf
Scriptum, 2015. ISBN:  978 90 5594 964 9

In een eerder, spraakmakend boek ('Meester Mark draait door') vertelde Mark van der Werf waarom en hoe hij na een loopbaan als journalist leraar werd in het basisonderwijs. En hoe hij daarin mislukte.
In 'Meester Mark vraag door' gaat de auteur langs bij een aantal scholen, voornamelijk in het basisonderwijs, en tekent hij verhalen op. Meer dan honderd leraren komen aan het woord. Het resultaat is een grote verzameling beschrijvingen, anekdotes en citaten. Het leven op school komt kleurrijk in beeld. Schril en soms hilarisch wordt de bureaucratie beschreven, de vergaderzucht, ordeproblemen, moeilijkheden met ouders, toets- en inspectiestress, het vrouwenoverschot en de verschillende vormen van beloning die leraren ontvangen. Duidelijk komt een aantal hardnekkige problemen in organisatie en cultuur aan de orde. Bijvoorbeeld verkeerde prioriteiten in de pabo: veel teveel reflecteren en te weinig en te laat iets over orde houden. Meester Mark heeft de pabo als te weinig kritisch en uitdagend ervaren. Ook als opdrachten mislukten, kreeg je een zeven.
De noodzaak tot gedetailleerd plannen, registratie en verantwoording in het onderwijs is een terugkerend probleem. Zo ook de veranderde relatie met ouders, die veelal blindelings en rücksichtslos voor de (vermeende) belangen van hun eigen kroost opkomen. Leerlingen zijn te weinig fysiek actief en doen te weinig met hun handen. Veel leraren hebben het gevoel dat hun vak nog maar weinig status heeft en dat men te weinig oog heeft voor wat ze allemaal moeten doen.
De verhalen zijn zeker niet steeds negatief. Zien hoe leerlingen leren en groeien of hoe een moeilijke groep een leuke klas wordt - dat biedt een diepe voldoening. Ook geeft het boek praktische aanwijzingen. Zo blijken veel van de problemen behapbaar als je omschakelingsvermogen beoefent, af en toe nee kunt zeggen en niet te perfectionistisch bent.
De bijna 200 pagina's zijn goed gestructureerd en de verhalen zijn levendig en humorvol geschreven. Toch kon het me niet steeds blijven boeien, omdat ik iets te vaak een gevoel van herhaling en voorspelbaarheid ervoer in de vele fragmenten. Dat neemt niet weg dat het boek een rijke beschrijving biedt van het leven van de leraar in het actuele (basis)onderwijs.

Tom Luken – onafhankelijk onderzoeker en adviseur bij loopbaanvraagstukken

Hoogbegaafd
Als je kind (g)een Einstein is
Tessa Kieboom
Lannoo, 2015. ISBN 978 94 014 0690 1 

Hoogbegaafdheid is meer dan een hoog IQ. Ongelukkigerwijze zijn er nog steeds kinderen die een verkeerde diagnose krijgen, zoals ADHD, Asperger of een vorm van autisme. Aan de onwetendheid en misverstanden die er over hoogbegaafdheid zijn wil Kieboom een einde maken. Dit lukt haar heel aardig. In deel 1 begint zij met uitleg, wat is het wel, wat is het niet? Daarnaast benoemt ze de 4 belangrijkste kenmerken: groot rechtvaardigheidsgevoel, grotere gevoeligheid, kritische instelling en de neiging de lat hoog te leggen. Ook hebben deze kinderen een opvallend groot gevoel voor humor en een subliem geheugen. Kieboom’s doel: hoogbegaafdheid in de meest zuivere vorm bekender maken en binnen de hulpverlening de plaats te geven die ze verdient.  In het 2e deel worden handreikingen gegeven wat school en ouders kunnen verwachten en vooral kunnen doen. De praktische adviezen zijn voornamelijk toegespitst op het basisonderwijs. Hierbij is opvallend dat de doorslaggevende factor voor succes van begeleiding van een hoogbegaafde de manier is waarop de leerkracht omgaat met het kind. Cruciaal is dat dit gepaard gaat met steun en aandacht. Leerkrachten, maar ook ouders, zijn vaak geneigd om te denken dat het kind alles al weet en daardoor ontbreekt het soms aan oprechte belangstelling. Gewichtige vraagstukken worden besproken, zoals wanneer besluit je tot versnellen (jaar overslaan) en wat te doen wanneer hij of zij zich verveeld in de klas of gedragsproblemen gaat vertonen. Hoogbegaafde leerlingen kunnen faalangst hebben, de keerzijde van perfectionisme, of onderpresteren. Wat kun je daar als school en als ouder aan doen? In deel 3 worden handvatten gegeven hoe de communicatie goed te laten verlopen. Hier lees je ook over de paradox van hoogbegaafdheid. Deel 4 geeft praktijkvoorbeelden. Kieboom geeft een realistische visie op hoogbegaafdheid en geeft naast waarschuwingen zeer bruikbare suggesties. Dit zou iedere leerkracht, basis- en voortgezetonderwijs gelezen moeten hebben. Prettig geschreven zonder moeilijk vakjargon. Beetje spijtig van de vele keren dat haar eigen expertisecentrum (Exentra, Antwerpen) genoemd wordt. Zo lijkt het een pleidooi voor eigen praktijk. Desalniettemin is het een gedegen werk waar een ieder die zich wil verdiepen in hoogbegaafdheid iets aan heeft.

Marjan van Druenen, (vrijwilligers-)coach

Handboek en werkboek klinische schematherapie
Muste, E., Weertman, A. & Claassen, A. (red)  
Bohn Stafleu van Loghum (2009).
ISBN 978 90 313 7205 8 (handboek) en 978 90 313 7208 9.

De Amerikaanse psycholoog Jeffrey Young heeft veel betekend voor de schematherapie. Wanneer men steeds met dezelfde persoonlijke problemen kampt, is er sprake van een chronisch probleem. Young probeerde en brug te slaan tussen de cognitieve gedragstherapie en de psychodynamische benadering. Hij had daarbij vooral oog voor de therapeutische relatie. In zijn veel geciteerde boek Leven in je leven beschrijft hij schema´s als valkuilen. Het is knap hoe hij beschrijft hoe je deze valkuilen kunt herkennen en veranderen. Het werkboek klinische schematherapie deed mij in eerste instantie veel aan het boek van Jeffrey Young denken. Toch biedt het handboek en het werkboek klinische schematherapie een goede aanvulling op de bestaande boeken over schematherapie, die vaak gericht zijn op de individuele ambulante setting. De boeken van Muste e.a.  zijn bedoeld voor de (dag)klinische schematherapiesetting, waar meer behandelingrediënten (groep, milieu en samenhang) van invloed zijn. De klinische psychotherapie is geëigend voor patiënten met ernstige problemen op het vlak van adaptatiestijlen en /of persoonlijkheidsstructuur. De patiënt moet wel in staat zijn tot reflectie en zijn eigen leefmilieu – tijdelijk- inruilt voor een therapeutisch milieu (deeltijd- en dagklinische behandeling).   
In het handboek wordt de geschiedenis van deze therapie besproken, krijgt de lezer inzicht in de centrale begrippen uit de schematherapie en de indicatiestelling voor deze vorm van therapie. Verder is aandacht voor diagnostiek en behandeling, waarbij richtlijnen gegeven worden per discipline (psychotherapie, vaktherapie en sociotherapie) en hoe dit geïntegreerd kan worden.
Het werkboek is bedoeld voor de patiënt. Ook hierin is aandacht voor de theorie, maar het accent ligt op de beschrijving van de stappen per schema om deze te veranderen. Verschillende invulformulieren helpen de patiënt om de schema´s samen met de therapeut uit te werken.
Met name de invulschema´s vind ik een waardevolle aanvulling op de bestaande boeken over schematherapie, die overigens ook bruikbaar zijn binnen andere vormen van cognitieve gedragstherapie. Het A4-formaat van het werkboek biedt de patiënt voldoende overzicht en ruimte om de formulieren goed in te kunnen vullen. Jammer dat de theorie een lap tekst is; het had het boek meer gesierd wanneer elk schema op een nieuwe bladzijde zou beginnen. Maar al met al zijn het twee functionele boeken in de klinische behandeling van patiënten met persoonlijkheidsproblematiek.

Drs. Gerrie Ham-Willemsen, orthopedagoog NVO in opleiding tot GZ-psycholoog, cognitief gedragstherapeut VGCt

Hoe gaat het met u?
Een praktische stressmonitor
C Petri, P.G. van der Velden, R.J. Kleber
Thema, 2001. ISBN 90.5871.371.7

Dit kleine boekje van 56 pagina’s is al in 2001 uitgegeven. Toch is het in veel opzichten nog steeds actueel. In 5 hoofstukken, die een duidelijke opbouw hebben, wordt uitgelegd hoe stress op het werk ontstaat en op welke manier je de, door de schrijvers ontwikkelde Stressmonitor kunt inzetten. Vervolgens wordt besproken wat je kunt doen met de uitkomsten van de Stressmonitor. In het eerste hoofdstuk wordt op eenvoudige wijze uitgelegd wat stress is en wat ons stress kan geven. Vervolgens wordt in het tweede hoofdstuk de verschillende deelonderwerpen van de Stressmonitor besproken. In hoofdstuk 3 gaat men in op het invullen van de Stressmonitor en hoofdstuk 4 en 5 geven adviezen hoe je je eigen stresssignalen kunt gaan aanpakken. Het boekje laat zich makkelijk en snel lezen, iets wat zeker voor mensen in een stresssituatie prettig is, omdat zij vaak geen tijd en zin hebben om lange verhandelingen door te nemen. In de bijlage  is de Stressmonitor opgenomen. Deze kan door de lezer worden ingevuld en de uitkomsten kunnen worden vergeleken met de scores die uit het wetenschappelijk onderzoek van de Stressmonitor naar voren kwamen. Doordat de monitor op diverse deelgebieden van stress in een werksituatie laat scoren, kun je als lezer ook gericht met de uitkomsten aan de slag. Door de lijst eventueel verschillende keren in te vullen voor diverse samenwerkingsverbanden op het werk, kun je effectief actie ondernemen voor het verbeteren van je stressfactoren in die specifieke werksituatie. De Stressmonitor is een handig hulpmiddel voor iedereen (die mensen begeleidt) met stress ten gevolge van de werkomgeving.   

Annette Booiman, oefentherapeut-Mensendieck en Biofeedback therapeut

Persoonsgerichte therapie in de praktijk
Baljon, M., Pool, G., Takens, R.J.
Hogrefe, 2015. ISBN: 978-90-7929-93-7

Het boek ‘Persoonsgerichte therapie in de praktijk’ is het 14e deel van de reeks ‘Uit de praktijk’. Het is geschreven door Marijke Baljon, Grieteke Pool en Roelf Jan Takens, drie opleiders, supervisoren en leertherapeuten binnen de cliëntgerichte psychotherapie-opleiding met jarenlange ervaring als psychotherapeut.
Het boek is helder en duidelijk geschreven, met mooi geschetste evoluties van vroeger tot nu. Er is een evenwicht tussen bespreking van  de resultaten van wetenschappelijk onderzoek en klinische voorbeelden met stukken dialoog. Af en toe zijn er ook, wat overbodig, reflectie-opdrachten die helpen om jezelf  als therapeut te bevragen. Er wordt nadruk gelegd op het procesmatige van een therapie:  hoe kan  je interventies afstemmen op het in proces brengen, hoe kan je procesdiagnostisch te werk gaan, afstemming van interventies op de fase waarin je zit…
In de eerste twee hoofdstukken verheldert Baljon de theorie over de persoonlijkheid, mensvisie, verandering met de Rogeriaanse condities (empathie, echtheid en presentie en aanvaarding en respect) en het Zelf in zijn deelaspecten uitgelegd. Takens gaat verder met wetenschappelijke evidenties voor de Rogeriaanse condities, het belang van de therapeutische relatie en de functies van de therapeut in die relatie. Pool spitst zich dan toe op empathie in alle verschillende aspecten, met aanbevelingen over hoe je empathie kan trainen in de opleiding: Observeren/Spiegelen/Inleven/Reflecteren en omgaan met relatiebreuken.
De therapeut begeleidt en beïnvloedt het veranderingsproces in de richting van meer doorleefd inzicht, vanuit experiencing en naar een dieper belevingsniveau. In de twee daaropvolgende hoofdstukken worden manieren besproken om tot contact te komen: pre-therapie van Prouty met een voorbeeld bij een psychotische cliënt en focussen van Gendlin. Baljon geeft zowel tips over hoe je als therapeut zelf kan focussen en hoe je cliënten kan helpen hierbij, met speciale aandacht voor focussen op dromen.
Takens gaat in op het benutten van de therapeutische relatie, een heel interessant hoofdstuk, met aandacht voor de valkuilen bij mensen met een persoonlijkheidsstoornis. Pool beschrijft therapie als een gefaseerd proces, met persoonsgerichte- en procesdiagnostiek, één van de belangrijkste delen van dit boek. Emotion Focused Therapy wordt helder beschreven door Baljon.
In aparte hoofdstukken wordt aandacht gewijd aan angst en depressie, existentiële therapie en wetenschappelijk onderzoek.
Het boek geeft op een zeer heldere, leesbare en toegankelijke manier een overzicht van de deelstromingen en kernthema’s van persoonsgerichte therapie.

Heidi Deknudt, psycholoog, psychoanalytisch en cliëntgericht psychotherapeut

Denken, voelen, doen
Aan de slag met Acceptatie en Commitment Therapie
Maaike Steeman 
SWP Amsterdam, 2016. 
ISBN 978 90 8560 671 0

Maaike Steeman heeft met ‘Denken, voelen, doen’ een lees- en doeboek geschreven voor kinderen en jongeren, en voor de mensen om hen heen. De rode draad is de Acceptatie en Commitment Therapie (ACT), een nieuwe vorm van therapie binnen de cognitieve gedragstherapie, die aan het eind van de twintigste eeuw is ontwikkeld door de Amerikaanse psycholoog Steven C. Hayes. In de ACT wordt cliënten geleerd zich te richten op zaken die ze op directe wijze kunnen beïnvloeden, zoals hun eigen gedrag, in plaats van controle proberen te krijgen over ervaringen die niet direct te beïnvloeden zijn, zoals emoties en gedachten. 
Het boek is bedoeld voor jongeren die nieuwsgierig zijn naar de ‘binnenwereld’, zoals Steeman het noemt, of kinderen die nare gedachten en gevoelens hebben. Het boek leert gedachten en gevoelens beter te begrijpen en wil jongeren helpen om er makkelijker over te praten.
Steeman, zelfstandig GZ-psycholoog, legt in het eerste hoofdstuk uit wat de binnenwereld is: gedachten, gevoelens, beelden, herinneringen. In hoofdstuk twee wordt de vraag beantwoord waarom we een binnenwereld hebben en drie behandelt de hersenen. Deel vier gaat in op de vraag of we kunnen sturen wat onze hersenen doen. Zijn we supergoed in gelukkig zijn?, vraag de auteur zich in hoofdstuk vijf af en maakt duidelijk dat je je ongelukkig kunt voelen terwijl je alles hebt wat je hartje begeert. Steeman introduceert hier de twee Raadgevers, de Denkmachine (wat je ziet en hoort) en de Holbewoner (wat je voelt). De hoofdstukken zes, zeven en acht gaan over het verstand, vanuit de kerngedachte: denken is handig, maar het kan ook zorgen voor lijden. De hoofdstukken negen, tien en elf behandelen gevoelens en hoe gevoelens lijden kunnen veroorzaken. In hoofdstuk twaalf vat Steeman alles nog eens samen om in hoofdstuk dertien af te sluiten met hoe volwassenen dat doen. Uiteraard ontbreekt het nummer van de Kindertelefoon niet. Het laatste, ongenummerde, hoofdstuk is bedoeld voor ouders, leerkrachten en kindertherapeuten en gaat over ACT.
‘Denken, voelen, doen’ is zeer toegankelijk, met ook voor kinderen makkelijk te lezen tekst, niet te lange hoofdstukken die geïllustreerd zijn door Sjeng Schupp en oefeningen die duidelijk staan aangegeven met icoontje, ander lettertype en kleurkader. ‘Moeilijke’ begrippen staan gegroepeerd in een blauw kleurvlak en elk hoofdstuk wordt afgesloten met een korte samenvatting. Het boek is leerzaam voor kinderen, maar ook aan te bevelen aan volwassenen. Een duidelijker uitleg kun je niet vinden.

Hans Bouwman, counselor i.o.

 



Geef hieronder uw reactie op dit nieuwsitem

Leave this one empty:
Naam:
Don't fill in data here:
Reactie:
Don't put anythin in here:
Nog geen reacties geplaatst